Ruimteschroot is een groot probleem. Er zijn heel grote stukken bij, zoals opgebrande rakettrappen, afgedankte satellieten en een paar stukken gereedschap die tijdens ruimtewandelingen zijn kwijtgeraakt. Maar het overgrote deel is veel kleiner.
Toen in 2002 de zonnepanelen van de Hubble-ruimtetelescoop terug naar de aarde werden gebracht zaten ze vol met inslagkraters tot wel 8 mm groot. Momenteel bewaken telescopen en radar meer dan 12.000 stukken schroot met een omvang van 10 cm en groter. Vele miljoenen stukken zijn te klein om te bewaken, zoals verfschilfers en stof.
Normaal gesproken zou dit schroot geen probleem vormen, maar in de ruimte bewegen de brokstukken zich met hoge snelheid voort. Zelfs stofdeeltjes fungeren als minuscule kogels. ESA pakt het schrootprobleem op verschillende manieren aan. Het Columbuslaboratorium op het internationale ruimtestation ISS wordt door speciale schilden beschermd.
Het European Space Operations Centre (ESOC) houdt het ruimteschroot zeer nauw in het oog. Het maakt gebruik van een telescoop van 1 meter op de Canarische Eilanden en een radarsysteem in Duitsland. Microscopisch klein schroot wordt ook in de gaten gehouden door ESA’s Proba-1 satelliet en een ESA-experiment op het internationale ruimtestation.
Verder worden een radarscanner in Duitsland en een ESA-telescoop op Tenerife (Spanje) ingezet om gegevens te verzamelen over rommel rond de Aarde. En ESA wil internationale afspraken maken over minder afval en meer veiligheid in de ruimte.