De lucht zit vol met minuscule, zwevende stofdeeltjes en druppeltjes – ook wel “aerosolen” genoemd. Veel aerosolen ontstaan op natuurlijke wijze. Hiertoe behoren onder meer zand uit woestijnstormen, zoutdeeltjes uit de oceaan, ijskristallen en as afkomstig van branden en vulkaanuitbarstingen.
De mens doet daar nog een 'schepje' bovenop. Energiecentrales en fabrieken die op 'vuile' brandstoffen werken, stoten roet en zwaveldioxide uit. En ook het weg- en luchtverkeer zorgt voor aërosolen.
De vloeibare en vaste deeltjes in de lucht zijn zo klein dat ze zich makkelijk over de hele wereld verspreiden. Ze kunnen astma veroorzaken, en dragen bij aan zure regen, waardoor vissen en bomen sterven. Ze spelen ook een rol in de klimaatverandering doordat ze het zonlicht opnemen en verstrooien.
Ze vertellen ons waar de lucht boven grote industriesteden grotere hoeveelheden aërosolen en verontreinigende stoffen bevat en waar bosbranden zijn. En in de bovenste laag van de atmosfeer zien ze de sporen die vliegtuigen er met hun uitlaatgassen trekken.