Eeuwenlang kon je een groot gebied alleen goed overzien door een stuk hogerop te klimmen. De komst van luchtballonnen en vliegtuigen maakte aardobservatie al heel wat eenvoudiger.
En nu we in het ruimtetijdperk leven, maken we steeds vaker gebruik van satellieten om alle aspecten van onze planeet te onderzoeken.
Omdat zij de Aarde van zo veraf bekijken, worden ze vaak 'remote sensing' satellieten genoemd.
De meest gedetailleerde beelden van het oppervlak en de atmosfeer van de Aarde worden gemaakt door satellieten vanuit een lage omloopbaan over de noord- en zuidpool.
De Aarde draait onder de satellieten door, zodat ze de planeet elke paar dagen volledig in kaart kunnen brengen, baan voor baan.

Satellieten in polaire banen bestuderen de ijs- en sneeuwbedekking, het landgebruik, lucht- en waterverontreiniging en het lokale weer. De polaire satellieten van de ESA zijn de European Remote Sensing Satellite (ERS-2) en de milieusatelliet Envisat.
Andere satellieten kijken vanuit hun baan op 36.000 km boven de evenaar voortdurend naar hetzelfde deel van de Aarde. Daardoor hebben ze een veel ruimer zicht op de Aarde, maar niet zo gedetailleerd.
Europa heeft tot nu toe acht weersatellieten, de zogenaamde Meteosats, in een dergelijke 'geostationaire' omloopbaan gebracht.