De aarde is de ‘Goudlokje’-planeet. Het is er noch te warm, noch te koud. Daardoor is onze wereld de enige plek die wij kennen waar water de vorm van een gas, een vloeistof of een vaste stof (ijs) kan aannemen.
Met ijs krijgen we vooral in de winter te maken, maar op de noord- en zuidpool en op de top van hoge bergen ligt het hele jaar door ijs.
De meest uitgestrekte ijslagen op het land vinden we op de zuidpool en op Groenland. De noordpool gaat ook schuil onder een enorme ijslaag, maar die is heel dun en drijft op de oceaan. IJskappen en berggletsjers worden vaak groter of kleiner. Tegenwoordig denken veel wetenschappers dat het ijs smelt en de zeespiegel stijgt omdat de Aarde opwarmt, waardoor het overstromingsgevaar groter wordt.
Gegevens die satellieten als ESA’s ERS en Envisat over langere tijd verzamelen, laten ons zien wat er gebeurt.

Op beelden uit de ruimte is te zien hoe ijslagen uiteenvallen en ijsbergen zich verplaatsen. De satellieten meten ook de temperatuur en kleur van de oceanen. Radarinstrumenten volgen de veranderingen in ijsdikte en zeepeil wereldwijd. De radargegevens zijn ook handig om schepen 's winters de weg te wijzen door het ijs.