Een ruimtevaartuig is een machine die is ontworpen om de ruimte in te worden gebracht. Deze kunnen worden gebruikt voor het observeren van de aarde, communicatie, navigatie en ruimteverkenning. Er zijn ook ruimtevaartuigen die mensen de ruimte in brengen, zogenaamde ‘bemande ruimtevaartuigen’, en andere die de benodigde voorraden naar ruimtestations vervoeren.
Omdat er geen lucht is in de ruimte, kan een ruimtevaartuig min of meer elke vorm hebben. De grootte is eerder een probleem. Een ruimtevaartuig moet binnen de stroomlijn van een raket kunnen passen. En de raket moet genoeg vermogen hebben om de satelliet de ruimte in te krijgen.
Modules die worden gebruikt voor de bouw van ruimtestations zijn nog groter. Het 20 ton zware ATV (Automated Transfer Vehicle) van ESA kan maximaal 9 ton aan vracht en experimenten naar het Internationale ruimtestation ISS kunnen vervoeren.
De vorm van een satelliet hangt voor het overgrote deel af van het feit of het ding in de ruimte ronddraait of niet.
Sommige satellieten, Meteosat bijvoorbeeld, draaien om hun as en zijn trommelvormig. De meeste satellieten van tegenwoordig hebben de vorm van een doos en draaien niet om hun as. De instrumenten die ze aan boord hebben, bijvoorbeeld camera’s, zijn het grootste deel van de tijd dezelfde kant op gericht.
Sommige zijn voorzien van grote zonne-‘vleugels’ (zonnepanelen die zonlicht omzetten in elektriciteit) die meedraaien, zodat ze altijd naar de zon gericht zijn. Kleine satellieten hebben vaak platte zonnepanelen aan alle vier de zijden.
Bij landingstoestellen ligt dat anders. Zij moeten extreme hitte kunnen doorstaan omdat zij heel snel in de dampkring afdalen. ESA’s Huygens-sonde, die op Titan is geland, had bijvoorbeeld de vorm van een schotel met een hitteschild dat naar voren was gericht.